Varkenshouders

Stichting Scharrelvlees Certificering: de voorschriften voor de varkenshouders

Norm Voorschrift Interpretatie voorschrift

Algemeen
VA.01 Het varkensbedrijf is IKB gecertificeerd. De varkenshouders krijgen jaarlijks een IKB controle, hetgeen blijkt uit de aanwezigheid van een recente beoordelingsbrief / geldig certificaat. (n.b. QS, Certus en andere systemen worden niet als gelijkwaardig beschouwd
VA.02 De varkenshouder voert uitsluitend varkens / biggen aan van deelnemende (en als zodanig gerigstreerde bedrijven) aan de regeling Scharrelvlees Nederland Bij een tekort aan gecertificeerde biggen kan hierop, na goedkeuring van de CI en RvD een uitzondering op gemaakt worden
VA.03
Het bedrijf registreert de ontvangen klachten. Tevens dienen de op de klacht ondernomen actie, wie de actie heeft ondernomen en de resultaten daarvan te worden geregistreerd.
De klacht, de ondernomen actie en door wie en de resultaten hiervan worden geregisteerd. 
  Huisvesting  
VH.01
Scharrelvarkens dienen te worden gehuisvest in groepen.
Met uitzondering van hoogdrachtige zeugen vanaf maximaal een week voor het werpen,
zogende zeugen, gespeende zeugen (tot maximaal 1 week na spenen), dekberen en eventueel zieke dieren
VH.02 De scharrelvarkens worden niet gefixeerd. Met uitzondering van het moment van kunstmatige inseminatie, tijdens het voeren, gedurende de eerste 5 dagen na het werpen, tijdens veterinaire handelingen waarbij fixatie noodzakelijk is, en tijdens de periode in de dekstal na het spenen wanneer zeugen indien nodig om onrust en aggresiviteit te voorkomen enkele dagen geduren de periode rondom de berigheid vastgezet kunnen worden. 
VH.04 Scharrelvarkens dienen zich te allen tijde te kunnen beschermen tegen neerslag,
wind, vorst, hoge en lage temperaturen, voor de soort extreme weersomstandigheden,
pijn en beperkingen van hun natuurlijk gedrag.

VH.05 Bij sprake van uitzicht wordt uitsluitend gebruik gemaakt van doorzichtig windbreekgaas.  
VH.07
Daglicht kan onbelemmerd de stal binnendringen
Ramen mogen niet vies of bedekt zijn. 
VH.08 Er is kunstlicht beschikbaar van een zodanige sterkte, dat inspectie en (veterinair) ingrijpen goed mogelijk is.
VH.09
Het lichtdoorlatende oppervlak van de ligruimte in de stallen is tenminste 2% van het vloeroppervlak van de inpandige ligruimte van de varkens.  
VH.10 Er is extra ruimte beschikbaar voor de opvang van zieke, hulpbehoevende en /of kreupele varkens.  
VH.11 In ieder groepshok is een schuurplaats aanwezig. Deze schuurplaats is makkelijk te bereiken voor de dieren.
VH.12 Het contact van honden en katten met de varkens wordt zoveel mogelijk voorkomen.  
VH.13 De ligruimte voor varkens bestaat uit een dichte vloer waarop zich permanent een ruime laag ongehakseld stro bevindt. Ander strooiselmateriaal dan stro mag uitsluitend worden gebruikt na schriftelijke toestemming van de certificerende instantie. Voor zogende zeugen mag in de kraamhokken gedurende de eerste week na het werpen gebruik worden gemaakt van gehakseld stro, zaagsel of houtkrullen als strooiselmateriaal.
VH.14 De ligruimte dient schoon en droog te zijn, en dagelijks bijgestrooid te worden.  
  Huisvesting Vermeerderingsbedrijven  
VH.16 Biggen worden niet eerder gespeend dan op een gemiddelde leeftijd van 35 dagen. Dit gemiddelde geldt per groep van biggen die tegelijkertijd worden gespeend met een ondergrens van 28 dagen.
VH.17 Ligruimte voor dragende en guste zeugen is minimaal 1,3 m2 per dier te zijn.  
VH.18 De totale binnenruimte aper dragende of guste zeug is minimaal 2,5 m2  
VH.19 De totale ruimte voor gespeende biggen bedraagt minimaal 0,5m2 per dier, hiervan bestaat minimaal 50% uit roosters. De oppervlakte van verhogingen tellen ook mee als extra oppervlakte aan ligruimte.
VH.20 De ligruimte voor opfokzeugen bedraagt tenminste 1 m2 per dier, met een minimum van 5 m2 per hok.  
VH.21 De ligruimte voor dekberen bedraagt ten minste 8 m2 per dier. Indien het hok ook als dekruimte gebruikt wordt, bedraagt de beschikbare ruimte ten minste 10 m2 per dier.  
VH.22 Zogende zeugen in kraamopfokhokken mogen de eerste 5 dagen na werpen vast staan, minimale hokoppervlakte bedraagt dan 4,5 m2.  
VH.23 7 dagen na werpen bedraagt de hokoppervlakte van het kraamhok minimaal 6,5 m2.  
VH.24 Ten minste 4 m2 van het kraamhok is ligruimte, ten minste 3m2 hiervan is vrij toegankelijk voor de zeug.  
VH.25 Bij zogende zeugen in landhokken bedraagt de minimale hokoppervlakte 4 m2.  
VH.26 Bij zogende zeugen in groepshokken bedraagt de minimale hokoppervlakte 4m2 per zeug.  
VH.27 Hokken voor zogende zeugen zijn zo geconstrueerd dat doodliggen van biggen door de zeug zoveel mogelijk wordt voorkomen. Er moet een valbeugel of buis aanwezig zijn.
VH.28 Op het moment van werpen heeft de zeug beschikking over aanvullend nestmateriaal Nestmateriaal bijvoorbeeld jute zakken. Dit voorschrift is een aanbeveling
VH.29 De ligruimte van de stalruimte bij de zeugen heeft geen roosters.  
VH.30 Bij landhokken als permanente verblijfplaats, zijn deze aan 3 zijden volledig gesloten, en voorzien van een dak. Ventilatie openingen zijn toegestaan
  Huisvesting vleesvarkens  
VH.31 De ligruimte voor vleesvarkens bedraagt ten minste de som van 0,5 m2 per hok +
0,1 m2 per varken +
0,1 m2 per 20 kg varken 
Eventueel aangebrachte verhogingen in de hokken tellen hierbij ook mee als extra oppervlakte. Gewicht wordt altijd naar boven afgerond.
VH.32 De ligruimte van de stalruimte bij de vleesvarkens heeft geen roosters. Alleen dichte vloer wordt meegerekend als ligruimte.
  Uitloop  
VU.01 Alle scharrelvarkens hebben permanent de beschikking over een uitloop Met uitzondering van zogende zeugen, gespeende zeugen (tot max 10 dagen na het spenen), gespeende biggen en eventueel zieke dieren. Ook bij een schriftelijke veterinaire indicatie van de bedrijfseigen dierenarts mag worden afgeweken.
VU.02 Scharrelvarkens hebben vanaf de randen van de uitloop in totaal over een afstand van minimaal 5 meter onbelemmerd horizontaal zicht. Beoordeling van het zicht vindt plaats bij varkens in een normale houding.
VU.03 Bij een gedeeltelijk verharde uitloop mogen de varkens na het voeren gedurende maximaal 2 uur op het afgesloten verharde stuk worden gehouden  
VU.04 Tussen de uiterste rand van de uitloop en dichtstbijzijnde bebouwing is de afstand minimaal 5 meter. Minimaal 5 meter bij volledige overkapping, minimaal 3 meter bij gedeeltelijke overkapping.
VU.05 Max 50% van het verharde deel van de uitloop bestaat uit roosters. Voor vleesvarkens mag het verharde deel van de uitloop volledig uit roosters bestaan.
VU.06 Bij overkapping van de uitloop, is er voldoende ventilatie in de uitloop.  
VU.07 De afstand tot het laagste punt en de vloer van de uitloop is minimaal 2,00 meter. Laagste punt van de overkapping is exclusief hemelwateropvang.
VU.09 Bij een volledige overkapping dient minimaal 25% lichtdoorlatend te zijn. Indien uitlopen voor meer dan 50% worden overkapt, gerekend vanaf de buitenmuur van de stal, zijn de eisen met betrekking tot volledige overkapping van toepassing.
VU.10 Aan de uiterste zijde van de uitloop mag over de gehele breedte van het hok een muur aanwezig zijn van maximaal 1,10 m hoog.  
VU.11 Bij uitloop in de zon dient schaduw verstrekt te worden.  
VU.12 Indien in de uitloop gebruik wordt gemaakt van roosters, dient de balkbreedte in het niet
overdekte gedeelte van de uitloop voor scharrelvarkens minimaal 70 mm te bedragen.
Bij een overdekte uitloop kan er gebruik worden gemaakt van andere typen roosters met een kleinere balkbreedte.
VU.13 Indien 2 uitlopen aan elkaar grenzen mogen deze niet geheel of gedeeltelijk zijn overkapt. Minimale afstand tussen twee overkappingen is 5 meter.
  Uitloop vermeerderingsbedrijven  
VU.14 Bij een onverharde uitloop hebben guste en dragende zeugen, en beren de beschikking over 150 m2 per dier.  
VU.15 Bij een volledig verharde uitloop hebben guste en dragende zeugen en beren de beschikking over 2,5 m2 per dier. Voor guste en dragende zeugen geldt een minimum van 100 m2 per groep.
VU.16 Bij een gedeeltelijk verharde uitloop hebben zeugen de beschikking over 1,9 m2 verhard en 100 m2 onverhard per dier.  
VU.17 Bij een gedeeltelijk verharde uitloop hebben beren de beschikking over 5 m2 verhard en 100 m2 onverhard per dier.  
  Uitloop vleesvarkens  
VU.18 Bij een onverharde uitloop hebben vleesvarkens de beschikking over 25 m2 per dier.  
VU.19 Bij een volledig verharde uitloop bedraagt de ligruimte voor vleesvarkens ten minste de som van 0,5 m2 per hok +
0,1 m2 per varken +
0,1 m2 per 20 kg varken 
Gewicht wordt altijd naar boven afgerond.
VU.20 Bij een gedeeltelijk verharde uitloop bedraagt de ligruimte voor vleesvarkens ten minste de som van 0,5 m2 per hok +
0,1 m2 per varken +
0,1 m2 per 20 kg varken en 25m2 onverhard per dier. 
Gewicht wordt altijd naar boven afgerond.
  Behandeling  
VB.01 Het gebruik van electrische prikkers en kalmerende middelen is verboden bij transport en afleveren.  
VB.02 Er dient een deugdelijk transportmiddel aanwezig te zijn voor het vervoer van zieke, hulpbehoevende en/of kreupele varkens. Deze varkens mogen niet aan lichaamsdelen versleept worden
VB.03 Varkens worden niet gecoupeerd, afgeleid en lichaamsdelen worden niet geheel of gedeeltelijk verwijderd. Uitzondering hierop indien er een schriftelijke indicatie is van bedrijfseigen dierenarts.
VB.04 Castratie van beerbiggen vindt plaats gedurende de eerste levensweek. 
Controleren op basis van protocol.
VB.05 Castratie van beerbiggen gebeurt na verdoving m.b.v. spuitbus of gas.  
VB.06 Het slijpen van hoektanden gebeurt alleen op veterinaire indicatie en uitsluitend in die gevallen waarin de biggen elkaar of de zeug verwonden. 
 
  Voedering  
VV.03 Bij onbeperkte voedering moet per 12 dieren minimaal een vreetplaats van 35 cm breedte aanwezig zijn.  
VV.05 Aan het afmestvoer van de vleesvarkens wordt een minimum van 3 gewichts% lijnzaad toegevoegd. Op basis van verklaring voerleverancier.
VV.06 Varkens dienen dagelijks de beschikking te krijgen over een ruime hoeveelheid ruwvoer. Zeugen: minimaal 20% van het verstrekte voer, vleesvarkens: minimaal 10% van het verstrekte voer na opleggen, afnemend tot minimaal 5% aan het einde van de mestperiode. Uitzondering voor hoogdrachtige zeugen vanaf een week voor de verwachte werpdatum tot en met spenen.
VV.07 Onder ruwvoer wordt verstaan bijvoerder met een structuurwaarde van 1,5 of hoger. Anders dan stro of krachtvoeder dat verzadiging en bezigheid aan de dieren biedt. Ruwvoeders die aan deze norm voldoen zijn opgenomen in de lijst erkende voedermiddelen scharrelvarkens. Erkende voedermiddelen zijn: Bietenstaartjes (ingekuild); Erwtenloof / Erwtenstro, gehele plantensilage; Gras (kunstmatig gedroogd / vers / hooi / kuil / graszaadstro); Luzerne (vers / hooi), Snijgraan (ingekuild / vers), Snijmais (ingekuild / vers); Stoppelknollen met loof (ingekuild); Stro van bonen en granen; Veldbonen (ingekuild), Zonnebloem (ingekuild)
  Veterinair  
VD.01 De veehouder mag geen hormoonpreparaten of stoffen die de groei op kunstmatige wijze bevorderen gebruiken of op voorraad hebben.  
VD.02 Gebruik van geneesmiddelen, antibiotica of chemotherapeutica worden alleen verstrekt op schriftelijke indicatie van de bedrijfseigen dierenarts.  
VD.03 Er wordt geen antibiotica aan het voer toegevoegd.  
VD.04 Het antibioticagebruik ligt 50% onder de maximale grens van het streefgebied van de Sda. Indien hier niet aan voldaan wordt heeft veehouder aantoonbaar actie ondernomen om de DD/DJ te verlagen.
VD.06
De bedrijfseigendierenarts is gecertificeerd conform de regeling Geborgde Varkensdierenarts van de Stichting Geborgde Dierenarts. Verificatie op basis van het register Geborgde Varkensdierenarts bij het register van de Stichting Geborgde Dierenarts.