Rundveehouders

Stichting Scharrelvlees Certificering: de voorschriften voor de rundveehouders

Norm Voorschrift Interpretatie voorschrift Interpretatie van de meetmethode

Algemeen
 
RA.01 Alle aanwezige runderen op het bedrijf worden conform het reglement Scharrelvlees Nederland gehouden. Uitzondering zijn melkveebedrijven. Deze bedrijven dienen 2 UBN's te hebben, en een ontheffing van de Stichting.  
RA.02 Het bedrijf registreert de ontvangen klachten. De klacht, de ondernomen actie en door wie en de resultaten hiervan worden geregisteerd.  

Aanvoer dieren

 
RD.01 Scharrelrunderen worden aangekocht van een Scharrelvlees Nederland gecertificeerde leverancier.    
RD.02
Per jaar mogen maximaal 10% van de aanwezige moederdieren vervangen door dieren van een niet-gecertificeerde Scharrelvlees Nederland leverancier. 

 
RD.03 Dieren welke zijn aangevoerd van een niet gecertificeerde Scharrelvlees Nederland leverancier, worden het eerste jaar na aanvoer niet aangeboden als zijnde Scharrelvlees.
 
RD.04 Dieren welke worden aangekocht ten behoeve van het fokken van scharrelrunderen welke niet afkomstig zijn van een binnen het kader van deze regeling erkende leverancier, zijn niet ouder te zijn dan 18 maanden.
 
RD.05 Aan- en afvoer van runderen dient vergezeld te gaan van een VKI formulier en logboekkaart    
RD.06
Op het geleidebiljet / logboekkaart wordt de minimaal verplichte informatie vermeld.
Minimaal verplicht is: Het identificatienummers van de af te leveren scharrelrunderen, De naam en het registratienummer van de leverancier, De naam en het registratienummer van de afnemer
 
RD.07 Er wordt geen gebruik gemaakt van pleegmoederdieren Indien deze dieren wel worden ingezet is ontheffing van Scharrelvlees Nederland noodzakelijk
 
  Behandeling    
RB.01 Runderen worden niet aangebonden en vastgezet. Uitzondering hierop zijn de veterinaire behandelingen, en het halstermak maken . Voor het halstermak maken mag dit slecht éénmaal worden toegepast, met een max. periode van 8 weken. Aanvangstijdstip dient in logboek vermeld te worden. Voor vee tentoonstellingen en/of keuringen kan ontheffing worden aangevraagd bij de Stichting. Controleer oornummers van aangebonden dieren in het logboek.
  Huisvesting    
RH.01 Scharrelrunderen worden in groepen gehouden. Uitzondering hierop zijn de moederdieren 2 weken voor, en 2 weken na afkalven, dekstieren en zieke dieren  
RH.02 De huisvesting van de runderen is zodanig dat de dieren te allen tijde kunnen gaan staan en liggen    
RH.03 Runderen zijn te allen tijde beschermd tegen honger, dorst, extreme weersomstandigheden, pijn en en tegen beperkingen van hun eigen gedrag.    
RH.04 In het geval van stalhuisvesting is deze stal goed geventileerd.   Menselijke beoordeling van aanwezige ammoniakgeur.
RH.06 Het lichtdoorlatend oppervlakte van de stal is tenminste 6,5% deel van het vloeroppervlak. Ook een open zijde telt mee als lichtoppervlakte  
RH.07 Daglicht kan onbelemmerd de stal binnendringen Ramen mogen niet vies of bedekt zijn.  
RH.08 In de huisvesting van runderen is kunstlicht beschikbaar van een zodanige sterkte dat inspectie en ingrijpen van de rundveehouder of dierenarts mogelijk is.    
RH.09 Er is een dag/nacht ritme van tenminste 6 uur met een laag lichtniveau    
RH.10 De minimale oppervlakte van de ligruimte per dier voor moederdieren met kalf is 6 m2. De totale leefruimte bestaat uit de ligruimte vermeerderd met 20%.    
RH.11 De minimale oppervlakte van de ligruimte per dier voor drachtige koeien is 4 m2. De totale leefruimte bestaat uit de ligruimte vermeerderd met 20%.    
RH.12 De minimale oppervlakte van de ligruimte per dier voor vleesstieren en vrouwelijk jongvee tot 1 jaar is 2,5 m2. De totale leefruimte bestaat uit de ligruimte vermeerderd met 20%.    
RH.13 De minimale oppervlakte van de ligruimte per dier voor vleesstieren en vrouwelijk jongvee van 1 tot 1,5 jaar is 3,25 m2. De totale leefruimte bestaat uit de ligruimte vermeerderd met 20%    
RH.14 De minimale oppervlakte van de ligruimte per dier voor vleesstieren en vrouwelijk jongvee ouder dan 1,5 jaar is ten minste 4 m2. De totale leefruimte bestaat uit de ligruimte vermeerderd met 20%    
RH.15 De minimale oppervlakte van de ligruimte per dier voor dekstieren is ten minste 16 m2. De totale leefruimte bestaat uit de ligruimte vermeerderd met 20%    
RH.16 Alle dieren in de afmestfase en (potentiele) dekstieren ouder dan 1 jaar beschikken over minimaal 3 meter zicht naar buiten.   Vanuit de stal moeten de dieren 3 meter vanuit de stal van zich af kunnen kijken. Binnen deze afstand mogen geen gebouwen, hoge beplanting oid staan.
RH.17 De stal of het stalgedeelte waarin de dieren verblijven is aan één lange zijde open. Indien dit niet het geval is, is er een verharde buitenuitloop met dichte vloer beschikbaar. De minimale oppervlakte van deze uitloop is 10 m2 per dier. De uitloop dient uitzicht te bieden aan de runderen, een open hekwerk is hierdoor noodzakelijk.  
RH.18 De hoogte van de open zijde dient vanaf de vloer ten minste 1,8 m te bedragen.    
RH.19 De ligruimte voor runderen bestaat uit een dichte vloer waarop zich permanent een ruime laag strooiselmateriaal bevindt.     
RH.20 Nat en verontreinigd strooiselmateriaal wordt dagelijks door droog strooiselmateriaal. Indien gebruik wordt gemaakt van een potstalsysteem dient dagelijks een dusdanige hoeveelheid vers strooiselmateriaal te worden toegevoegd dat de ligruimte voor runderen schoon en droog blijft.  
RH.21 Er wordt uitsluitend strooiselmateriaal van natuurlijk, plantaardig materiaal gebruikt.   Strooiselmateriaal mag niet scherp zijn, dieren kunnen verwonden of de huid aantasten. 
RH.22 Er wordt geen gebruik gemaakt van roostervloeren. Uitzondering hierop is de verhoging bij het voerhek.  
RH.23 Er is een ruimte aanwezig voor zieke en/of hulpbehoevende dieren Aantoonbaar maken van de mogelijkheid tot direct creeren van een ruimte voor zieke en/of hulpbehoevende dieren is ook akkoord.  
RH.24 Indien het bedrijf moederdieren houdt, is er een aparte afkalfruimte aanwezig. Aantoonbaar maken van de mogelijkheid tot direct creeren van een afkalfruimte is ook akkoord.  
  Transport    
RT.01 De transportduur van runderen tussen bedrijven onderling of naar het slachthuis bedraagt maximaal 4 uur.   de afstand van boerderij tot slachthuis dient minder dan 240 km te bedragen.
  Voeding    
RV.01 Bij onbeperkt voeren is er per 2 dieren één voerplaats beschikbaar.    
RV.02 Bij beperkt voeren is de breedte van de voerplaatsen bij dieren jonger dan 1 jaar 0,5 m per dier    
RV.03 Bij beperkt voeren is de breedte van de voerplaatsen bij dieren tussen 1 - 2 jaar 0,65 m per dier.    
RV.04 Bij beperkt voeren is de breedte van de voerplaatsen bij dieren ouder dan 2 jaar 0,75 m per dier.    
RV.05 Scharrelrunderen worden gevoederd met een rantsoen wat voor tenminste 60% (gemeten in gehalte droge stof) uit ruwvoer bestaat.    
RV.06 Voermiddelen welke gevoerd worden komen voor op de lijst van erkende voedermiddelen scharrelrundvee. Erkende voedermiddelen zijn: Bietenstaartjes (ingekuild); Erwtenloof / Erwtenstro, gehele plantensilage; Gras (kunstmatig gedroogd / vers / hooi / kuil / graszaadstro); Luzerne (vers / hooi), Snijgraan (ingekuild / vers), Snijmais (ingekuild / vers); Stoppelknollen met loof (ingekuild); Stro van bonen en granen; Veldbonen (ingekuild), Zonnebloem (ingekuild)  
RV.07 Het voer is niet verontreinigd met producten van dierlijke herkomst Uitgezonderd melk en daarvan afgeleide producten  
RV.08 Al het rundveekrachtvoer is afkomstig van een GMP erkende leverancier of een GMP- gelijkwaardig borgingsysteem.    
RV.09 Runderen beschikken permanent over vers en schoon drinkwater   Controleer in de wei of er aan de sloot waaruit de dieren drinken geen gewassen met percelen die veel bestrijdingsmiddelen krijgen geteeld worden.
RV.11 Bronwater is 1 maal per jaar getest door een erkend labaratorium en voldoet aan aan eisen zoals gesteld door de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD)    
RV.12 De zoogperiode voor kalveren dient ten minste 180 dagen te bedragen    
  Weidegang    
RW.01 Vrouwelijke dieren en zoogkalveren hebben minimaal 180 dagen per jaar weidegang, waarvan minimaal van mei tot en met september weidegang.   1 melkkoe = 1 GVE, jongvee 0 – 1 jaar = 0,4 GVE, jongvee 1 – 2 jaar = 0,7 GVE
RW.02 Per GVE is minimaal 5000 m2 (0,5 hectare) weide beschikbaar. GVE berekening heeft alleen betrekking op het diersoort runderen. Rund vanaf 24 maanden en/of afgekalfd is 1 GVE; rund van 6 maanden tot 24 maanden (ongekalfd) is 0,6 GVE; rund jonger dan 6 maanden is 0,20 GVE  
RW.03 In de wei is schaduw voor runderen aanwezig. Indien dit niet realiseerbaar is, is de dieren toegang bieden tot de stal ook mogelijk. Schaduw mag tot stand gebracht worden door gebouwen of machines.
RW.04 Alle in gebruik zijnde percelen en de ligging t.o.v. het bedrijf zijn ter inzage. Ieder perceel heeft een identificatienummer toegekend gekregen.    
  Veterinair    
RVV.01 Antibiotica of andere geneesmiddelen worden niet aan runderen verstrekt door toevoeging aan het voer of drinkwater.    
RVV.02 De veehouder mag geen hormoonpreparaten of stoffen die de groei op kunstmatige wijze bevorderen gebruiken of op voorraad hebben.    
RVV.03 De rundveehouder heeft een overenkomst met een gecertificeerde, geborgde dierenarts. Dierenarts dient deel te nemen aan de regeling Geborgde Rundveedierenarts van de Stichting Geborgde Dierenarts. En dient hiervoor gecetrtificeerd te zijn.  
RVV.04 Veehouder is deelnemer aan een kwaliteitssysteem in het kader van “verordening registratie en verantwoording antibioticagebruik rundersector (PVV) 2011” of de rechtsopvolger er van. IKB rund - Qrund - IKB nederland runderen of SKAL  
RVV.05 Afkalven van de runderen vindt op natuurlijke wijze plaats, routinematig toepassen van keizersnede is niet toegestaan. Maximaal 5%. Indien daarboven samen met de dierenarts Plan van Aanpak opstellen. Te controleren aan de hand van aanwezig lidtekenweefsel.
RVV.06 Amputatie, castratie, embryo transplantatie, Genetische modificatie, kloneren, koud merken, en andere biotechnologische handelingen worden niet toegepast    
RVV.07 Onthoornen van runderen gebeurt alleen in de eerste 8 levensweken.    
RVV.08 Onthoornen gebeurt onder verdoving, door een dierenarts    
RVV.09 Gebruik van neusring in niet toegestaan. Een uitzonder geldt voor dekstieren.  
RVV.10 Aanbrengen van een neusring gebeurt, onder verdoving, door een dierenarts.    
RVV.11 Keizersneden, onthoornen en het aanbrengen van een neusring worden geregistreerd in het logboek.    
RVV.12 Van iedere veterinaire behandeling, alsmede van entingen wordt een aantekening gemaakt in het logboek. Aantekening geschiedt onder vermelding van datum van behandeling, de aandoening, gebruikte medicijn, batchnummer, de wachttijd en de naam van de toediener  
RVV.13 Bij toediening van medicijnen wordt een wachttermijn voor aflevering in acht genomen, die het dubbele bedraagt van de op de verpakking van het medicijn aangegeven minimum wachttijd.     
  Administratie    
RAI.01 De deelnemer houdt een logboek over de bedrijfsvoering bij.    
RAI.02 In het logboek worden per rund en/of per groep runden ten minste vermeld:
Het aantal scharrelrunderen met bijbehorende identificatienummers op het bedrijf aanwezig;
Dek-, afkalf- en speendata van alle op het bedrijf aanwezige koeien;
Opzet- en herkomstgegevens van de dieren in de afmestfase;
Aanvang en einde weideperiodes;
Veterinaire handelingen
   
RAI.03 De administratie van de veehouder bevat ten minste:
Het logboek;
Kopieën van inspectierapporten;
Bevindingen en attesten van de dierenarts, voor zover niet beschreven in het logboek;
Het deelnamecertificaat; en de door het I&R bureau verstrekte stallijsten en mutatieoverzichten.